This guy can't be older than 8.
22 november 2009
18 november 2009
09 november 2009
The Future Of The Web: Where Will We Be In Five Years? #Trends #2010>
1. Micro-Payments For Quality Content
2. Wider Monitors For More Horizontal-Scrolling Content
3. Magazines In A More Interactive Format
4. More Collaborative And Real-Time Content
5. More Semantic Content And Apps That Exploit Them
6. Augmented Reality In Mobile Web Applications
7. Interesting Web Operating System Applications
7. [sic!] Better Adoption Of Web Standards
8. Better Web Security Against Phishing, Scams and Spam
9. Even More Social Apps
10. More High-Quality Online “TV” Programs
11. Web Apps Play A Bigger Role In Daily Life
12. Search Engine Optimization Will Be Less Important
13. Places to Watch TV Online For Free
13. Your OS Will Be Online
14. Customized User Interfaces
15. The Web Will Be The Center Of Information And Content Distribution
Full - rather eclectic - article here.
08 november 2009
05 november 2009
Symptoms of Death 2.0 (When Your Have Good Eyes)
I guess that about 20% of the 7,000+ initiatives that I've indexed between 2006 and 2008 (in my EVERYTHING 2.0 blog) have disappeared from our screens. A considerable number were just fun projects, without any business perspective. The better ones got acquired - I guess 70, or so. A few of the weaker-but-still-interesting-enough found partners to merge with. But most members of the 2.0 Death Pool just perished.
Many of them did it graciously, diligently informing their members, sometimes even giving them time to remove their data. But, still, quite a number just stopped their activities - in mid air, so to speak.
During the past 12 months I've sometimes captured the messages that I got (over email) or found (on a dead web page).
This collage draws the whole picture (especially when you have good eyes).
01 februari 2009
23 november 2008
Locatie, locatie, locatie!
In Nederland pleegden we in 1993 gemiddeld nog maar een kleine 20 miljoen telefoontjes per dag, bijna uitsluitend over het vaste net van de PTT (Koninklijke PTT Nederland zou pas het jaar daarop KPN gaan heten).
Inmiddels hebben we meer mobiele telefoontjes dan Nederlanders. Ze bellen en sms’en zich elke dag suf (we verstuurden met z’n alleen al tijdens de paar uur rond de laatste jaarwisseling ruim 23 miljoen sms’jes!).
Dankzij en via internet zijn we bovendien ook massaal gaan emailen, voicemailen, chatten, instant messengen, skypen en twitteren. En via de commentaar-functionaliteiten van blogs en via de betere community-platforms worden we ook al in staat gesteld om één op één of groepsgewijs allerlei berichten uit te wisselen.
Onze dorst naar communicatie blijkt vooralsnog onlesbaar. Voice, voice mail en sms zijn de killer apps van de mobiele telefoon. IM, email, chat, Twitter, blog-comments en VoiP behoren tot de intensiefst gebruikte features van het Web (en het zijn ook de functionaliteiten die het op het mobiele web steeds beter doen).
“Wat doe je?”
We worden allemaal als vanzelf steeds handiger in het managen van al die communicatie-modaliteiten. Relaties wier nummer niet herkend wordt door ons mobieltje, laten we eerst even ‘in de voice mail vallen’. Bellers die we wél herkennen, maar waarin we even geen zin hebben, trouwens ook. Email sturen we uit en beantwoorden we op het moment dat het òns het beste uitkomt. Hebben we een messenger aanstaan, dan melden (of simuleren!) we een status die op dàt moment het beste strookt met onze zin of tegenzin om instant te communiceren.
Die status-meldingen (zoals: Online, of Bezet of Zo terug, of Afwezig, of Aan de telefoon, of Met lunchpauze, of zelfs: Afwezig) hebben al gezorgd voor een kleine, maar nauwelijks opgemerkte, revolutie in haast alle segmenten van digitale communicatie. Ze voegen daaraan namelijk een nieuwe, constant aanwezige laag toe. Deze extra laag wordt steeds algemener gelabeld met de term presence (ook wel eens met het eigenlijk juistere awareness): je kunt je er immers steeds van vergewissen wat je vrienden, collega’s en zakenrelaties op elk gegeven moment van de dag doen of voorwenden te doen.
Twitter is er een ultieme exponent van. Maar je ziet presence-signalen nu ook consequent toegepast worden in de communicatie-tools die van het web naar de mobiele telefoon worden getransfereerd. Zie bijvoorbeeld Fring en Nimbuzz.
Presence helpt je, kortom, om veel beter in te schatten via welk medium en welk kanaal je relaties op elk gegeven moment van de dag benaderd wensen te worden. Daarbij wordt steeds duidelijker wordt dat je eigen contact-list in je messenger, en/of je eigen adresboek op je eigen telefoontje eigenlijk je enige èchte community representeren – eentje waarin jezelf in het middelpunt staat. Dit biedt je bovendien een sterke, al snel verslavende ‘sense of belonging’.
Messenging en presence hebben al geleid tot een nieuwe, supertransparante etiquette van openheid, vertrouwen, en uitsluitend op reciproke permissie gebaseerde communicatie. Zelfs als je niet actief met iemand communiceert, kun je je toch een idee vormen van wat hij of zij op enig moment uitvoert.
“Waar ben je?”
Veel van de genoemde nieuwe communicatiefaciliteiten zijn zich meer en meer aan het loszingen van de gefixeerde desktop PC. We rijden en reizen er tegenwoordig immers steeds meer mee rond. Always on, anytime, anywhere - met onze vederlichte laptopjes, onze kekke Blackberry’s en onze razendsmarte telefoontjes. Die beweeglijkheid maakt dat de vraag “Waar ben je?” inmiddels in online conversaties de vaste openingsvraag “Wat doe je?” aan het verdringen is.
En dát verschijnsel opent nu weer een nieuwe markt voor location based service providers: technologie-aanbieders die je in staat stellen om voortdurend te peilen – en relevant te maken – waar jij en je hardware uithangen, en om die informatie automatisch te delen met weer andere dienstenaanbieders (die je bijvoorbeeld snel kunnen laten zien welke vijf of tien cafés op dat moment op loopafstand van je huidige locatie gevestigd zijn).
Interessanter nog, is dat de early adopters van deze nieuwe services die locatieve informatie ook weer graag blijken te delen met hun vrienden en kennissen. Naast “presence”, voegen daarmee in de toekomst ook “locatie”, en in het kielzog daarvan eveneens “proximity” en “availability” nieuwe, in principe immer aanwezige extra informatielagen toe aan je reguliere communicatie.
De prognose is dat er binnen vier jaar wereldwijd 600 miljoen (1) of 800 (2) tot zelfs 950 (3) miljoen mensen lid zullen zijn van mobile social networks. Het via je mobiele devices continu actief kunnen participeren in je community zal ongetwijfeld de brug vormen die nodig is om de digitale virtualiteit van de huidige networks te verbinden met het in het echte leven ontmoeten van en communiceren met je “community friends”.
We zullen dus de komende 50 jaar wel niet minder gaan communiceren.
(1) www.juniperresearch.com/index.php
(2) www.emarketer.com/Article.aspx?id=1006514
(3) www.pyr.com
Dit stukje verscheen ook in Second Sight, november 2008.
13 oktober 2008
KPN van gisteren
En deze mogen d'r ook zijn.
10 augustus 2008
Web 3.0 en People 1.5
Trendwatchers hebben het er maar druk mee. Ze watchen en ze clusteren en ze labelen, en ze analyseren en rapporteren wat ze maar kunnen. Maar zelfs de attentste onderzoekers realiseren zich, almaar amechtiger, dat ze niet alles meer kunnen bijhouden. Wat is er aan de hand? Wie ‘dragen’ dan de nieuwste van de nieuwste trends, als die zich aan de waarneming van de alertste watchers beginnen te onttrekken? En wat gebeurt er ondertussen met de volgers en de achterblijvers in de onderste lagen van de adoptiepiramide?
Kevin Kelly zag het in 1998 al helemaal aankomen: “Of all the endeavors we humans are now engaged in, perhaps the grandest of them all is the steady weaving together of our lives, minds, and artifacts into a global scale network […]. As this grand net spreads, an animated swarm is reticulating the surface of the planet. We are clothing the globe with a network society.”
Iedereen die een tijdje op het web zit, wordt – vaker onbewust dan bewust – een min of meer vaardig lid van die vernetwerkte samenleving. We omarmen met z’n allen steeds makkelijker nieuwe services, en waar die services tekortschieten, zijn we steeds beter in staat er relevante eisen aan te stellen, die vervolgens ook steeds sneller door dienstenaanbieders worden vervuld.
Sociale promiscuïteit. In 2004 konden tech industry- en trend-watchers zich wereldwijd meteen vinden in de term Web 2.0, eindelijk één label voor alle internettechnologie die voornoemde vernetwerkte maatschappij sinds de totstandkoming van het w.w.w. is gaan faciliteren. Het ging, met andere woorden, om de benoeming van een reeks samenhangende fenomenen, die allemaal al een voorgeschiedenis hadden.
In 2004 waren de aantallen gebruikers van de onderscheiden services al redelijk indrukwekkend. In elk westers land had de marktleider in het segment ‘internet communities’ toen bijvoorbeeld ongeveer evenveel leden als de hoofdstad van dat land inwoners had. Het aantal aanbieders van 2.0-diensten lag in dat jaar wereldwijd, volgens m’n eigen tellingen, ergens rond de 1.000.
Vandaag hebben communities per land ledenaantallen die tussen de 50 en 70 procent van de totale bevolking omvatten. Onder jongeren ligt de dekking al belangrijk hoger. Een gespecialiseerd netwerk voor professionals als LinkedIn haalt in Nederland (de LinkedIn-markt met de hoogste penetratie!) in sommige branches al een dekking van ruim 60 procent en zal daar binnen 1 jaar vanaf nu zelfs het niveau van volledige saturatie bereiken. Wereldwijd ligt het aantal aanbieders van 2.0-diensten nu waarschijnlijk rond de 50.000.
Nieuwsgierige en trendgevoelige gebruikers zijn nu lid van verscheidene communities tegelijk. De allernieuwsgierigsten volgen het ontstaan van nieuwe diensten bovendien semi-live vanaf het moment dat ze (via alfa- of beta-releases) geannonceerd worden.
‘Volgen’ is hier trouwens veel te zwak uitgedrukt. Ze participeren – gevraagd en ongevraagd – liefst ook meteen in het (her)definiëren van functionaliteiten. En via hun eigen ‘media’ (blogs, Twitter) beslissen ze meteen mee over het potentiële succes van die nieuwe services door ze onmiddellijk ‘ter attentie van' hun followers op elk detail te fileren en te recenseren.
Op de ochtend van de zondag dat ik dit artikeltje uitschreef, zag ik een twitteraar de volgende acht ‘tweets’ plaatsen:
- Neem vandaag de Canon 10D mee (6MP, lekkah weinig ;-), voor het eerst want de rest is volledig met N95 vastgelegd.
- Weerbericht Bretagne: Veel wind en bewolkt. Een goede dag om naar de Tour te gaan kijken. Ga proberen bij een 3e categorie col te komen.
- Zit wat te denken over de ultieme fototool. Is nu veel gedoe (uploaden Flickr, mailen voor Fotolog, tekstjes, geotagging, s3 backup).
- Tweetdeck is toch nog wel wat erg beta. Resizet op willekeurige momenten naar willekeurige formaten. Mist tweets.
- Je zou eigenlijk een lokale applicatie moeten hebben die dat allemaal regelt. Foto's inslikken en verspreiden, lokaal de meta-info bewaren.
- Ik upload eerst alles naar Flickr, mail daarna een selectie naar mijn log. Dat worden dus 2 versies: 1 met geotag, 1 met tekstje. Jammer.
- Als ik nou lokaal kan teksten en geotaggen, en kan aanklikken wat er gefotologd, gemoby'd, geflickrd moet worden, zou dat veel schelen.
- En uiteindelijk backup ik alles naar S3 voor ik het lokaal verwijder. Dan heb ik dus 3 versies: 1 kaal, 1 geotag, 1 met tekstje.
Een normaal mensen begrijpt er geen snars van, maar geloof van mij dat hier in aanleg een serieus probleem wordt geattaqueerd van een belangrijke groep Web 2.0-gebruikers. Het gaat in dit concrete geval om de zieleroerselen van Michiel Berger, een Nederlandse internet-pionier die in staat is om z’n hierboven omschreven frustratie binnen een paar etmalen eigenhandig om te zetten in een werkende service. Als hij daartoe besluit, zal hij daarbij zijn 658 followers op Twitter betrekken. Nog vóór-ie de nieuwe service kan launchen, zijn er een paar duizend followers van die followers op geattendeerd. Op de dag van de lancering zullen er meteen al enkele honderden, misschien wel over de duizend, mensen gebruik van maken.
De adoptiepiramide heeft kortom een nieuw topje gekregen: zeg maar dat van de open source developers en hun collaborative followers. En omdat mensen zich bedienen van verscheidene oplossingen tegelijk, is er een nieuwe behoefte ontstaan aan het (her)bundelen of (re)aggregeren van de dingen die zich in enigerlei samenhang, in die verschillende omgevingen, op verscheidene technische platformen tegelijk voltrekken.
Tim Berners Lee, in 1990 de ‘uitvinder’ van het internet, formuleerde het onlangs zo: "It's not the documents, it is the things they are about which are important." Het gaat, zegt hij bondig, om “The way I am connected, not the way my Web pages are connected.”
Symbiose. Het gaat, zeg ik, dus niet om Web 2.0, maar om People 2.0. In een steeds inniger symbiose van enerzijds een tot verandering en zelfs tot hyperinnovatie geneigde avant-garde en anderzijds een nieuwe technologische realiteit waarin diezelfde groep kan bijdragen aan rapid en instant prototyping, kun je – als je er het talent en de ijver voor hebt – momenteel real time getuige zijn van en bijdragen aan lawines van over elkaar heen buitelende innovaties.
In termen van de evolutiebiologie geformuleerd, kunnen we nu live waarnemen hoe technologieën muteren en in welke mate tegelijkertijd het gedrag van de gebruikers mee-evolueert. En we beleven daarbij de natte droom van elke darwinist – we zien niet alleen zo nu en dan de fittest overleven, maar ook allerhande mislukte probeersels opkomen en weer tenondergaan.
Die avant-garde van developers en hun followers neemt daarbij steeds meer afstand van (ik vermijd expres de zinswending ‘neemt een voorsprong op’) ‘gewone’ consumenten. Zoals mijn negentigjarige vader moeilijk de lol in kan zien van Hyves, snapt de gemiddelde Hyver geen hout van een gemiddelde Twitter-conversatie over een of andere coole, nieuwe applicatie.
Is er dan sprake van een dreigende nieuwe digital divide within the digital divide? Nee, de nieuwste generatie technologieën zal consumenten zó faciliteren dat ze zich helemaal niet om die technologie hoeven te bekommeren, dat ze zich er helemaal niet van bewust hoeven te zijn.
We noemen die generatie nu Web 3.0 of beter: semantic web. Nog vóór die termen breed ingang hebben gevonden, hebben Tim Berners Lee en Kevin Kelly er trouwens nog betere labels voor bedacht: ‘Social Graph’ of ‘Giant Global Graph’.
Ik nomineer beide genoemde heren met dezen voor de zekerheid alvast graag voor de Trendwatcher of the Decade Award. Die hadden ze in het vorige decennium trouwens ook al verdiend.
Dit artikel verscheen eerder in Second Sight, juli 2008.
16 december 2007
Enterprise 2.0
Nu we alweer een jaar of drie ervaring hebben met “the next web”, valt op dat van alle 2.0-modellen en technologieën nog maar heel weinig wordt doorgezet naar enterprise-omgevingen. Het punt is, dat we met al die mooie nieuwe dingen extern maar moeilijk succesvol aan de slag kunnen als we ze niet eerst, of op z’n minst: óók, hebben geïnternaliseerd.
Okee, ’n corporate blog hèbben we nu zowat allemaal wel. En in veel bedrijven worden vroegere investeringen, soms van tonnen en miljoenen, in knowledge management-systemen nu in één keer afgeschreven ten faveure van ’n uitgave van een paar honderd euro in een bedrijfs-wiki. Sommige stoere media laten hun lezertjes content genereren, en héél enkele stoere brands betrekken hun trouwste klanten bij co-creation of co-improvement van producten en diensten – al is ’t maar voor de duur van de volgende tv-campagne.
Maar wáár zie je binnen bedrijven, of tussen bedrijven, al praktische toepassingen van collective intelligence – bijvoorbeeld ten behoeve van ’t wieden van informatie-rijstebrijen?
Wáár wordt RSS al ingezet voor customized information dashboards, opdat onze mensen zich niet meer wild hoeven te zoeken naar diezelfde informatie? Wáár is sharing al een onlosmakelijk onderdeel van de bedrijfscultuur? Wáár is email al ingeruild voor messenger? Wáár wordt ingezien dat een bedrijf samen met z’n leveranciers en afnemers een belangengemeenschap, en dus ’n community, is? Wáár wordt het assessment van nieuwe medewerkers door HRM al onderwerp gemaakt van een breedgedragen rondje ranking en rating? Wáár wordt alles wat we dezer dagen leren van de dynamiek en de technologie van multiplayer games al vertaald in een nieuwe architectuur voor onze bedrijfsprocessen? Wáár geven we het personeel al onbeperkt toegang tot onze business intelligence-systemen?
Dit stukje verscheen eerder in AdfoResult.
27 november 2007
3 must reads voor Entrepreneurs 2.0
Iedereen die actief is in de wondere wereld van Web 2.0 en WoM (word of mouth marketing) bedient zich vandaag de dag van de door Gladwell uitgekookte mix van sociologisch begrippen-apparaat en marketing-jargon.
Dat begint al met de titel. Het tipping point is het moment dat zó veel mensen tegelijkertijd een goed woordje doen voor je product, dat lineaire groei overgaat in exponentiële groei. Een super connector is iemand die lid is van verscheidene netwerken tegelijk, en het niet moe wordt z’n kennissen aan elkaar voor te stellen. Een maven is iemand die teveel weet van heel weinig, en het niet moe wordt om z’n omgeving van die kennis kond te doen. Gladwell’s cases laten zich lezen als even zovele rooie oortjes-novelles.
Chris Anderson, The Long Tail. Why the Future of Business is Selling Less of More. Uitg. Hyperion. New York, 2006.
Iedereen die actief is in de wondere wereld van Web 2.0 en e-commerce heeft zich laten grijpen door Anderson’s long tail-model. In beginsel is dat niet veel anders dan een handige visualisatie van het aloude 80/20-paradigma (d.i. “80% van je omzet wordt altijd gegenereerd door 20% van je klanten”), maar de auteur heeft het fascinerend doorvertaald naar allerhande vormen van internet-nering, en maakt bovendien aannemelijk dat in enkele sectoren de nieuwe commerciële realiteit wel eens dicht in de buurt van de 50/50 (d.i.bijvoorbeeld: “met miljoenen CD-albums waarvan je maar luttele exemplaren verkoopt, scoor je een even hoge totale omzet als met de paar honderd bestsellers in je assortiment”) kan komen te liggen.
Eckart Wintzen, Eckart’s Notes. Uitg. Eckart Wintzen i.s.m. Lemniscaat. [Austerlitz], 2007.
In Nederland zijn we niet gewend om entrepreneurs op een voetstuk te plaatsen. In kleine kring heeft Eckart Wintzen niettemin zelfs hier te lande een heldenstatus verworven. Met dit boek heeft hij een monumentje opgericht voor “De Cel”, het communistisch-ogende en door de buitenwacht slecht begrepen groeimodel dat van zijn BSO een ongekend ‘kapitalistisch’ succes maakte. Wars als-ie is van conventies en pretenties, is Wintzen erin geslaagd om het eerste managementboek ter wereld te produceren waarin het plezier van èlke pagina spat. En daarmee heeft hij vooral ook een monumentje voor zichzelf neergezet.
Deze Top3 verscheen eerder in FEM.
Lelijk of Lov.li?
De internetdomeinnamen zijn òp. Alle normale lettercombinaties die je vóór een reguliere extensie als .com kunt plaatsen zijn al geregistreerd.
In Nederland kom je haast elke dag wel iemand tegen die zichrijkrekenend zwaait met een lijstje vastgelegde (maar nooit geactiveerde) .nl-domeinen. We hebben het hoogste aantal domeinnamen per hoofd van de bevolking.
Dat is lastig als je iets nieuws wilt beginnen op het web. Maar er zijn ’n paar strategieën om goedkoop aan nieuwe namen te komen. Ik geef hieronder een overzichtje van de populairste morfologische principes.
- Spelen met àndere extensies. Immedi.at, Feeds2.be, Bibli.ca, Readme.cc, Krun.ch, Whodo.es, Last.fm, Blo.gs, Socialnetwork.in, Read.io, Grabb.it, Lov.li, Grou.ps, Publi.sh, Bla.st, Dai.sy, Blip.tv, Tourb.us, Tagne.ws.
- Klinkers weglaten. Flickr, Pluggd, Musicportl, Particls, Hngry, Strmz, Twttr.
- Klinkers toevoegen. Fooooo, Zooof, Zoook, Zooomr.
- Medeklinkers verdubbelen: Adoppt, Avvenu, Digg, Icebrrg, Ispott, Mmotr, Vennt.
- Dittografie: Hamsterster.
- Spelfouten. Browzar, Bryght, Calcoolate, Collectik, Contakme, Eqo, Geni, Holotof, Kancept, Kolektors, Kraytiv, Naymz, Nearbie, Noovo, Peepel, Pheedfire, Qoolsqool, Radeo, Rendezvoo, Resellular, Scoopt, Sertifi, Skeletonz, Soziety, Sxipper, Twones, Vlip, Yoono.
- SMS-steno: Answeru, Blinkx, Ezpublish, Gotuit, L8r, Pikifx, Syndic8, Tagsrus, Udutu, Vyew, Xcellery.
- Contaminaties: Groovid (groovy + video), Knover (know+discover).
- Cijfers als letters: Cl1pnet, Leve1.
Fraai is ’t natuurlijk maar zelden. Huiswerk voor wakkere domeinkapers: is Lief.de al vastgelegd?
Dit stukje verscheen eerder in Adforesult.Cost per cheat
Ik heb hier al ‘ns eerder de verzuchting geslaakt dat het toch wel heel wrang is, dat juist de tariefstelling van digitale media nog zo modderig is, en zo onzuiver. Click through- conversies van reguliere banner-campagnes zijn wereldwijd geërodeerd tot een schamel gemiddelde rond de 0,10 à 0,15%, maar de exploitanten van websites blijven – met een zwak beroep op de “reclamewaarde” – gesteund door de advertentienetwerken en de mediabureaus, liefst op CPM (kosten per duizend contacten) gebaseerde schendtarieven hanteren (althans: publiceren) tussen de 20 en 30 euro. Scherpe inkopers weten daar veelal 60 tot 75% van af te kletsen, maar ’t verschil tussen gepubliceerd tarief en onderhandelde prijs impliceert natuurlijk dat er nog flink gesmeicheld wordt.
De beter ingevoerde direct response- en instant response-adverteerders doen hun onderhandelingen natuurlijk zelf, en ze baseren de prijs die ze bereid zijn te betalen vanzelfsprekend op de transacties, en dus de omzet, die ze er daadwerkelijk mee genereren. Daarmee komen ze als vanzelf gemiddeld uit op de tarieven die in de Verenigde Staten al een tijdje heel normaal worden gevonden – zo tussen de één en tweenhalve euro per 1000 contacten.
Dus: heren en dames van de STIR, zullen we hier ook ’s normaal gaan doen, en de op transparantie gebaseerde tarieven gaan hanteren èn publiceren die we aan onze digitale stand verplicht zijn? Of moet ik de BVA op jullie afsturen?
Dit stukje verscheen eerder in Adforesult.
Sociosphere
Als ik de records in mijn index cross met de statistische rapportages van Alexa.com, blijkt dat maar heel weinig 2.0-initiatieven ooit zwarte cijfers kunnen draaien op basis van louter eyeballs. De grootste publiekstrekkers zitten in de categorieën video, images, audio, storage en communities. Maar zelfs daar zie je per categorie nergens meer dan 5 internationale spelers boven het maaiveld uitsteken, en kom je lokaal – in de grotere markten – maximaal nog 1 of 2 partijen tegen louter in eigen land ooit meer dan droog brood kunnen verdienen aan reclame. Andere relevante inkomstenbronnen zijn nog schaarser: het aantal partijen dat substantiële omzetten draait op basis van abonnementen of micropayments is bijvoorbeeld op de vingers van vier handen te tellen.
Met Web 2.0 gaat ’t dus net zo als ’t is gegaan met Web 1.0: the winners take it all, en de rest neemt bij z’n volle verstand genoegen met een bijrol. In die zin is er sprake van een New New Economy. Het nut van ’t algemeen, de pret en de creativiteit worden door het gros van de Web 2.0-entrepreneurs hoog genoeg aangeslagen om nog even door te zetten. Het - soms eclatante - succes van enkelingen (ook deze keer weer vaker geteld in termen van aantallen bezoekers, exits en financieringen dan in termen van omzet en winst, maar deze keer gelukkig zònder heftige bubble-effecten) blijkt een inspiratie en hart onder de riem voor honderdduizenden anderen.
Die cultuur van Web 2.0, die in hoge mate gebaseerd is op de veranderende attitudes van consumenten, is belangrijker dan de centen die ermee gemoeid zijn. En geen bedrijf kan eromheen zich af te vragen welke aspecten van die cultuur als de wiedeweerga geïnternaliseerd moeten worden. Welkom in de sociosphere!
Dit stuk verscheen eerder in Adforesult.
Presence
We worden allemaal als vanzelf steeds handiger in het managen van al die communicatie-modaliteiten. Relaties wier nummer niet herkend wordt door ons mobieltje, laten we eerst even ‘in de voice mail vallen’. Bellers die we wèl herkennen, maar waarin we even geen zin hebben, trouwens ook. Email sturen we uit en beantwoorden we op het moment dat ’t òns het beste uitkomt. Hebben we een messenger aanstaan, dan melden (of simuleren!) we een status die op dàt moment het beste strookt met onze zin om instant te communiceren.
Die status-meldingen (zoals: Online, of Bezet of Zo terug, of Afwezig, of Aan de telefoon, of Met lunchpauze, of zelfs: Afwezig) zorgen op dit moment voor een revolutie in haast alle segmenten van digitale communicatie. Ze voegen daaraan namelijk een nieuwe laag toe. Deze extra laag wordt steeds algemener gelabeld met de term presence (ook wel eens met het eigenlijk juistere awareness): je kunt je er immers steeds van vergewissen wat je vrienden, collega’s en zakenrelaties op elk gegeven moment van de dag doen of voorwenden te doen. 24/7.
Twitter is er een ultieme exponent van. Maar je ziet presence-signalen nu ook consequent toegepast worden in de communicatie-tools die van het web naar de mobiele telefoon worden getransfereerd. Zie bijvoorbeeld Fring en Nimbuzz.
Presence helpt je, kortom, om veel beter in te schatten via welk medium en welk kanaal je relaties op elk gegeven moment van de dag benaderd wensen te worden. Het biedt je bovendien een al snel verslavende ‘sense of belonging’.
Er groeit nu een hele generatie op met messenging en met presence. En met een bijbehorende supertransparante etiquette van openheid, vertrouwen, en uitsluitend op permissie gebaseerde communicatie. Probeer daar als reclamemaker straks nog maar ’s tussen te komen!
Dit stukje verscheen eerder in Adforesult.
08 juli 2007
Reclame-technologie
Terwijl voor ’t bedenken van elke uiting en elke campagne toch elke keer een zelfde proces wordt gevolgd. Terwijl dat proces en het managen daarvan, en het volgen van de resultaten dankzij de voortschrijdende atomisering van media en middelen, toch echt te ingewikkeld aan ’t worden is voor face-value evaluaties. Terwijl er anderzijds door de voortschrijdende digitalisering van informatie, van media, en de effecten daarvan toch steeds meer mogelijkheden komen om reclame-inspanningen van begin (marktdata, briefing, creatie) tot eind (media-assets, plaatsing, waarneming, effecten) in één alles overziend management- en rapportage-dashboard te vangen. Terwijl binnen luttele jaren de overgrote meerderheid van alle commerciële communicatie toch ‘over IP’ zal worden gedistribueerd. Terwijl er met de dag toch steeds meer hartstikke goeie technologie beschikbaar komt.
De laatste editie van de Ad’Tech (Hamburg, mei) barstte weer van de interessante softwares. De exposanten hadden ’t heel druk: met bezoekers uit de hoek van de internetbureaus en de internetreclame-netwerken, en met elkaar.
Traditionele reclamebureaus ontbraken totaal. Ik telde één klassiek mediabureau. En met de totale ter plekke aanwezige populatie van adverteerders had ik ’n potje kunnen klaverjassen. Ontwaakt!
Dit stukje verscheen eerder als column in Adforesult, juni 2007.
Nieuwe media, ouwe kennis
Zo is het fenomeen community nu al een keer of wat heruitgevonden. Het exploiteren van bulletin boards in de vroege jaren ’80 had nauwelijks repercussies voor het marketen van de babbelboxen in de audiotex-hausse van de late jaren ’80. Nauwelijks ‘n sprankje wetenschap opgedaan door minitel- en videotex-bedrijven werd getransfereerd naar het web. En nu onze mobiele apparaatjes eindelijk voldoende bandbreedte beschikbaar krijgen èn worden voorzien van steeds beter bedienbare interfaces, zie je wéér dat alle interactieve wieltjes opnieuw worden uitgevonden.
Bij ’t exploiteren van mobiele applicaties en content treedt nòg een merkwaardige paradox op. Enerzijds is elk business model dat via de telefoon wordt geëxploiteerd in principe heel kansrijk omdat de transactie in het aangaan van de verbinding kan worden ingebakken (in het bijzonder via premium rate services), anderzijds zijn de toegestane maximum tarieven in Nederland idioot laag, en pakken de operators een zó schandelijk groot stuk van de omzet, dat het nog steeds heel moeilijk is om een lucratieve service in de markt te zetten.
Ik zou daarom drie dingen willen vragen aan de telecom-operators. 1) Richt samen een kennisinstituut inzake nieuwe media op, sponsor wat leerstoelen, stimuleer wat gecertificeerde opleidingen. 2) Hou op met je te conformeren aan de fatsoensrakkerij van verwarde kamerleden, en zet samen met de OPTA een winnende lobby op voor het liberaliseren van de PRS-tarieven. 3) Hou op met het bestelen van de exploitanten.
Borging en overdracht van kennis plus een daadwerkelijke liberalisering van de markt kunnen van Nederland hèt centrum maken van de volgende vijf generaties nieuwe media.
Deze posting verscheen eerder als column in Adforesult, mei 2007.
01 juli 2007
26 juni 2007
Orange rejects Rebtel's love
Hippies 2.0, love and Beetles are back in London, but orange and blue don't seem to match well together.
22 april 2007
Micro
Ze draait inmiddels een pittige omzet, draait een lekkere winst. Elke handschoen die ze verkoopt geeft ze zelf een speciale wax-behandeling. Elk pakketje dat de deur uitgaat, controleert ze zelf. Bijna al haar klanten komen terug voor een tweede of derde bestelling. Ze kent ze bij naam.
Ze overweegt nu haar activiteiten belangrijk uit te breiden – niet via line extensions, maar door haar hier succesvol gebleken business model te repliceren in een reeks buitenlanden.
Als ze zo doorgaat, verkoopt ze over ’n paar jaar naar tientallen landen, draait ze vele miljoenen omzet, èn enkele miljoenen winst. Ze wordt een micro-international.
Ze is voor elk taalgebied op zoek naar specialisten die in staat zijn om - nèt zo constant en fijnkorrelig en persoonlijk als ze ’t tot nu toe zelf heeft gedaan in het Nederlands - haar reclame, pr en crm te verzorgen: micro-agencies.
Dit stukje werd eerder gepubliceerd in AdfoResult, april 2007.
29 maart 2007
SMO & OCM
Wat ‘n paar maanden geleden begon als een blog-artikeltje met 5 tips voor Social Media Optimization (SMO – ’t acroniem krijg je er in tech-kringen altijd gratis bij), is inmiddels uitgegroeid tot een matig hanteerbare longlist van 17 praterige punten èn een speciale SMO-blog .
Met slechts wat simpele ingrepen, valt de lijst gelukkig best te comprimeren: tot 10 generieke tips voor het aantrekken en vasthouden van bezoek aan je ‘sociale medium’:
- Vergroot je linkability; beloon inkomende links.
- Stel je users in staat bij te dragen aan de content.
- Maak ’t je users makkelijk om te raten, ranken, reviewen, taggen en bookmarken.
- Zorg dat je content ook elders, door anderen, beschikbaar kan worden gesteld: via rss, widgets en andere microformats.
Geef je API vrij, moedig mash-ups aan. - Zorg dat users je zien als een bron van informatie en toegevoegde waarde; beloon actieve, behulpzame users.
- Verras je users continu met nieuwe functionaliteiten.
- Be real.
- Be humble.
- Ontwikkel een SMO-strategie.
Deze regels zijn natuurlijk ook allemaal relevant voor een direct aanpalende discipline: online community management (en laten we dat kunstje dan maar meteen afkorten tot OCM). Voor de bedrijvers van dit mooie nieuwe vak reik ik gaarne de volgende tips aan:
- Trek je community op rond een beklijvende gemeenschappelijke belangstelling of, liever nog, rond een lang houdbaar gemeenschappelijk belang.
- Koester community-leden die veel know-how of know-who inbrengen (de zogenoemde superconnectors en mavens); bied ze extra status, functionaliteiten en faciliteiten.
- Wees genereus – en verlang maar ‘n beetje terug.
- Beschouw data security als je core competence. \
- Verzin een onweerstaanbaar member get member-mechanisme; beschouw viraliteit als je core business.
- Stel functionaliteiten beschikbaar die je gebruikers in staat stellen om zichzelf te organiseren in sub-communities.
- Verbind de dingen die online gebeuren met dingen die (kunnen) gebeuren in het echte leven.
- Beschouw de helpdesk als een van je belangrijkste product-eigenschappen (en niet als een crm-kostenpost); streef naar customer delight.
- Delegeer het communiceren met de leden niet naar lagere echelons; neem als management deel aan belangrijke conversaties op je platform.
- Zorg, als de bliksem, dat je community óók via de mobiele telefoon maximaal wordt gefaciliteerd!
Dit stukje verscheen eerder in AdfoResult, maart 2007.
08 februari 2007
Slechte voornemens
Een manager van een Nederlands bedrijf googlet nooit op “[naam van mijn bedrijf] + waardeloos”.
Als een Nederlandse ondernemer een ecommerce-site ter markt brengt, kiest hij altijd een Nederlandse merknaam (en is-ie zielsblij met de beschikbaarheid van het bijbehorende .nl-domein).
Als tot een Nederlandse marketer doordringt dat er wellicht weer een interessant nieuw medium in opkomst is, is-ie er al te laat bij om de inzet ervan positief te laten afstralen op het innovatieve imago van zijn merk.
Als een Nederlandse marketer een briefing afgeeft voor een nieuwe campagnestrategie, komt de term accountability in het hele verhaal niet voor. Zijn bureau begint er ook niet over.
Als een Nederlands bedrijf het bezoek aan z’n website wil bevorderen, is er op de hele marketing-afdeling niemand die zelf eens hands-on een paar meier opmaakt aan ’t uitproberen van Google AdWords.
Als een Nederlandse tv-zender een cross media-format produceert, gaat na de laatste tv-uitzending de website op zwart.
Als een Nederlands reclamebureau voor een radiospotje een ondernemer moet typeren, casten ze altijd een tweederangs acteur die bekakt kan praten.
Als een Nederlands mediabureau een nieuwe titel nog niet in een of ander bereiksonderzoek heeft zitten, zullen ze deze in geen enkel mediaplan aanbevelen.
Als een Nederlands reclamebureau een keer het internet in de middelenmix betrekt, stellen ze een viraal bedoeld filmpje voor omdat er geen geld was voor de inzet van tv.
Als een Nederlands web-bureau een keer iets thematisch bedenkt, gieten ze het altijd in de vorm van een interactief Flash-spelletje.
Als een Nederlands creatief team bij een thema-campagne een website moet bedenken, komen ze altijd met een domeinnaam van minstens 57 letters, met daarin eenonderwerpeengezegdeeneenmeewerkendvoorwerp.nl.
Dit stukje verscheen eerder in Adforesult, 2007, nr. 1/2.
08 januari 2007
Samen
Die vakpers van ons is natuurlijk alleen maar een afspiegeling van wat er in de sector aan de hand is. Toen we een paar jaar geleden uit het schuim en de asch van een vorige club een nieuwe DDMA tevoorschijn toverden, telden we na wat slordige desk research al zo’n 25 clubs en verenigingen die hier te lande iets met marketing en communicatie van doen hebben. Onze prille pogingen om met sommige van die clubjes tot een of andere vorm van samenwerking te komen, werden òf vriendelijk afgewimpeld, òf bruut afgepoeierd. En ik kan me van de afgelopen jaren ook al geen enkele andere succesvolle, substantiële krachtenbundeling herinneren.
Zodat onze sector, die, van afstand bekeken, toch goed is voor talloze miljarden aan toegevoegde waarde, en een stimulerend effect zou moeten hebben op onze economie, en de vernieuwing daarvan, in de praktijk en perceptie van alledag een non-entiteit is.
Soms met succes vechtend tégen dingen die ons onwelgevallig zijn, maar zelden of nooit vóór iets. Soms succesvol een belangetje lobbyend in Den Haag of verdedigend tegen een andere brancheclub, maar haast nooit ’s iets vernieuwend of innoverend.
De speelbal van jonge, ambitieuze kamerleden. Nummertje 24, zonder stip, op de lijst van meest innovatieve sectoren. Gedoemd te verdwijnen als de focus niet drastisch verlegd wordt naar integratie, generalisme en accountability.
Zouden we, nu onze belangetjes blijkbaar nog zozeer uiteenlopen, nou niet op z’n minst ‘s een nieuwe poging moeten doen om onze kennis te bundelen?
Dit stukje verscheen onlangs in Adforesult.
