27 november 2007

3 must reads voor Entrepreneurs 2.0

Malcolm Gladwell, The Tipping Point. How Little Things Can Make a Big Difference. Uitg. Little, Brown and Company. New York, 2002.

Iedereen die actief is in de wondere wereld van Web 2.0 en WoM (word of mouth marketing) bedient zich vandaag de dag van de door Gladwell uitgekookte mix van sociologisch begrippen-apparaat en marketing-jargon.
Dat begint al met de titel. Het tipping point is het moment dat zó veel mensen tegelijkertijd een goed woordje doen voor je product, dat lineaire groei overgaat in exponentiële groei. Een super connector is iemand die lid is van verscheidene netwerken tegelijk, en het niet moe wordt z’n kennissen aan elkaar voor te stellen. Een maven is iemand die teveel weet van heel weinig, en het niet moe wordt om z’n omgeving van die kennis kond te doen. Gladwell’s cases laten zich lezen als even zovele rooie oortjes-novelles.

Chris Anderson, The Long Tail. Why the Future of Business is Selling Less of More. Uitg. Hyperion. New York, 2006.

Iedereen die actief is in de wondere wereld van Web 2.0 en e-commerce heeft zich laten grijpen door Anderson’s long tail-model. In beginsel is dat niet veel anders dan een handige visualisatie van het aloude 80/20-paradigma (d.i. “80% van je omzet wordt altijd gegenereerd door 20% van je klanten”), maar de auteur heeft het fascinerend doorvertaald naar allerhande vormen van internet-nering, en maakt bovendien aannemelijk dat in enkele sectoren de nieuwe commerciële realiteit wel eens dicht in de buurt van de 50/50 (d.i.bijvoorbeeld: “met miljoenen CD-albums waarvan je maar luttele exemplaren verkoopt, scoor je een even hoge totale omzet als met de paar honderd bestsellers in je assortiment”) kan komen te liggen.

Eckart Wintzen, Eckart’s Notes. Uitg. Eckart Wintzen i.s.m. Lemniscaat. [Austerlitz], 2007.

In Nederland zijn we niet gewend om entrepreneurs op een voetstuk te plaatsen. In kleine kring heeft Eckart Wintzen niettemin zelfs hier te lande een heldenstatus verworven. Met dit boek heeft hij een monumentje opgericht voor “De Cel”, het communistisch-ogende en door de buitenwacht slecht begrepen groeimodel dat van zijn BSO een ongekend ‘kapitalistisch’ succes maakte. Wars als-ie is van conventies en pretenties, is Wintzen erin geslaagd om het eerste managementboek ter wereld te produceren waarin het plezier van èlke pagina spat. En daarmee heeft hij vooral ook een monumentje voor zichzelf neergezet.

Deze Top3 verscheen eerder in FEM.

Lelijk of Lov.li?

De internetdomeinnamen zijn òp. Alle normale lettercombinaties die je vóór een reguliere extensie als .com kunt plaatsen zijn al geregistreerd.
In Nederland kom je haast elke dag wel iemand tegen die zichrijkrekenend zwaait met een lijstje vastgelegde (maar nooit geactiveerde) .nl-domeinen. We hebben het hoogste aantal domeinnamen per hoofd van de bevolking.
Dat is lastig als je iets nieuws wilt beginnen op het web. Maar er zijn ’n paar strategieën om goedkoop aan nieuwe namen te komen. Ik geef hieronder een overzichtje van de populairste morfologische principes.

  1. Spelen met àndere extensies. Immedi.at, Feeds2.be, Bibli.ca, Readme.cc, Krun.ch, Whodo.es, Last.fm, Blo.gs, Socialnetwork.in, Read.io, Grabb.it, Lov.li, Grou.ps, Publi.sh, Bla.st, Dai.sy, Blip.tv, Tourb.us, Tagne.ws.
  2. Klinkers weglaten. Flickr, Pluggd, Musicportl, Particls, Hngry, Strmz, Twttr.
  3. Klinkers toevoegen. Fooooo, Zooof, Zoook, Zooomr.
  4. Medeklinkers verdubbelen: Adoppt, Avvenu, Digg, Icebrrg, Ispott, Mmotr, Vennt.
  5. Dittografie: Hamsterster.
  6. Spelfouten. Browzar, Bryght, Calcoolate, Collectik, Contakme, Eqo, Geni, Holotof, Kancept, Kolektors, Kraytiv, Naymz, Nearbie, Noovo, Peepel, Pheedfire, Qoolsqool, Radeo, Rendezvoo, Resellular, Scoopt, Sertifi, Skeletonz, Soziety, Sxipper, Twones, Vlip, Yoono.
  7. SMS-steno: Answeru, Blinkx, Ezpublish, Gotuit, L8r, Pikifx, Syndic8, Tagsrus, Udutu, Vyew, Xcellery.
  8. Contaminaties: Groovid (groovy + video), Knover (know+discover).
  9. Cijfers als letters: Cl1pnet, Leve1.

Fraai is ’t natuurlijk maar zelden. Huiswerk voor wakkere domeinkapers: is Lief.de al vastgelegd?

Dit stukje verscheen eerder in Adforesult.

Cost per cheat

Er is de afgelopen jaren heel wat vooruitgang geboekt in het transparanter en realistischer krijgen van de tariefkaarten van traditionele media. De ergste uitwassen zijn geëlimineerd, en we weten nu tenminste allemaal wel waaran we dan precies teveel betalen – en waarmee nog gesmeicheld wordt, en door wie, voorzover er nog gesmeicheld wordt. Daarmee kan iedereen blijkbaar vrede hebben.
Ik heb hier al ‘ns eerder de verzuchting geslaakt dat het toch wel heel wrang is, dat juist de tariefstelling van digitale media nog zo modderig is, en zo onzuiver. Click through- conversies van reguliere banner-campagnes zijn wereldwijd geërodeerd tot een schamel gemiddelde rond de 0,10 à 0,15%, maar de exploitanten van websites blijven – met een zwak beroep op de “reclamewaarde” – gesteund door de advertentienetwerken en de mediabureaus, liefst op CPM (kosten per duizend contacten) gebaseerde schendtarieven hanteren (althans: publiceren) tussen de 20 en 30 euro. Scherpe inkopers weten daar veelal 60 tot 75% van af te kletsen, maar ’t verschil tussen gepubliceerd tarief en onderhandelde prijs impliceert natuurlijk dat er nog flink gesmeicheld wordt.
De beter ingevoerde direct response- en instant response-adverteerders doen hun onderhandelingen natuurlijk zelf, en ze baseren de prijs die ze bereid zijn te betalen vanzelfsprekend op de transacties, en dus de omzet, die ze er daadwerkelijk mee genereren. Daarmee komen ze als vanzelf gemiddeld uit op de tarieven die in de Verenigde Staten al een tijdje heel normaal worden gevonden – zo tussen de één en tweenhalve euro per 1000 contacten.
Dus: heren en dames van de STIR, zullen we hier ook ’s normaal gaan doen, en de op transparantie gebaseerde tarieven gaan hanteren èn publiceren die we aan onze digitale stand verplicht zijn? Of moet ik de BVA op jullie afsturen?

Dit stukje verscheen eerder in Adforesult.

Sociosphere

De wondere wereld van Web 2.0 raakt steeds drukker bevolkt. Op het moment dat ik dit schrijf, heb ik op m’n EVERYTHING 2.0-blog meer dan 5.000 Engelstalige specimina van 2.0-zakendoen en -creativiteit geïndexeerd. Wereldwijd, zal de teller - àlles, àlles meegeteld - nu wel ergens rond de 20.000 of 25.000 staan. (Toen ik in het voorjaar van 2006 – op de website van Adforesult - de eerste versie van deze index publiceerde, kwam ik niet verder dan ’n paar honderd initiatieven).
Als ik de records in mijn index cross met de statistische rapportages van Alexa.com, blijkt dat maar heel weinig 2.0-initiatieven ooit zwarte cijfers kunnen draaien op basis van louter eyeballs. De grootste publiekstrekkers zitten in de categorieën video, images, audio, storage en communities. Maar zelfs daar zie je per categorie nergens meer dan 5 internationale spelers boven het maaiveld uitsteken, en kom je lokaal – in de grotere markten – maximaal nog 1 of 2 partijen tegen louter in eigen land ooit meer dan droog brood kunnen verdienen aan reclame. Andere relevante inkomstenbronnen zijn nog schaarser: het aantal partijen dat substantiële omzetten draait op basis van abonnementen of micropayments is bijvoorbeeld op de vingers van vier handen te tellen.
Met Web 2.0 gaat ’t dus net zo als ’t is gegaan met Web 1.0: the winners take it all, en de rest neemt bij z’n volle verstand genoegen met een bijrol. In die zin is er sprake van een New New Economy. Het nut van ’t algemeen, de pret en de creativiteit worden door het gros van de Web 2.0-entrepreneurs hoog genoeg aangeslagen om nog even door te zetten. Het - soms eclatante - succes van enkelingen (ook deze keer weer vaker geteld in termen van aantallen bezoekers, exits en financieringen dan in termen van omzet en winst, maar deze keer gelukkig zònder heftige bubble-effecten) blijkt een inspiratie en hart onder de riem voor honderdduizenden anderen.
Die cultuur van Web 2.0, die in hoge mate gebaseerd is op de veranderende attitudes van consumenten, is belangrijker dan de centen die ermee gemoeid zijn. En geen bedrijf kan eromheen zich af te vragen welke aspecten van die cultuur als de wiedeweerga geïnternaliseerd moeten worden. Welkom in de sociosphere!

Dit stuk verscheen eerder in Adforesult.

Presence

Voice, voice mail en sms zijn de killer apps van de mobiele telefoon. IM, email, chat, Twitter, blog-comments en VoiP zijn de heftigst gebruikte features van het Web (en het zijn ook de functionaliteiten die het op ’t mobiele web steeds beter doen). Kortom: de mens hongert naar steeds meer communicatie.
We worden allemaal als vanzelf steeds handiger in het managen van al die communicatie-modaliteiten. Relaties wier nummer niet herkend wordt door ons mobieltje, laten we eerst even ‘in de voice mail vallen’. Bellers die we wèl herkennen, maar waarin we even geen zin hebben, trouwens ook. Email sturen we uit en beantwoorden we op het moment dat ’t òns het beste uitkomt. Hebben we een messenger aanstaan, dan melden (of simuleren!) we een status die op dàt moment het beste strookt met onze zin om instant te communiceren.
Die status-meldingen (zoals: Online, of Bezet of Zo terug, of Afwezig, of Aan de telefoon, of Met lunchpauze, of zelfs: Afwezig) zorgen op dit moment voor een revolutie in haast alle segmenten van digitale communicatie. Ze voegen daaraan namelijk een nieuwe laag toe. Deze extra laag wordt steeds algemener gelabeld met de term presence (ook wel eens met het eigenlijk juistere awareness): je kunt je er immers steeds van vergewissen wat je vrienden, collega’s en zakenrelaties op elk gegeven moment van de dag doen of voorwenden te doen. 24/7.
Twitter is er een ultieme exponent van. Maar je ziet presence-signalen nu ook consequent toegepast worden in de communicatie-tools die van het web naar de mobiele telefoon worden getransfereerd. Zie bijvoorbeeld Fring en Nimbuzz.
Presence helpt je, kortom, om veel beter in te schatten via welk medium en welk kanaal je relaties op elk gegeven moment van de dag benaderd wensen te worden. Het biedt je bovendien een al snel verslavende ‘sense of belonging’.
Er groeit nu een hele generatie op met messenging en met presence. En met een bijbehorende supertransparante etiquette van openheid, vertrouwen, en uitsluitend op permissie gebaseerde communicatie. Probeer daar als reclamemaker straks nog maar ’s tussen te komen!

Dit stukje verscheen eerder in Adforesult.

08 juli 2007

Divorce

Reclame-technologie

De dienstensector is per traditie erg schuw als het gaat om ’t bedenken en toepassen van nieuwe technologie. En ’t zou me niet verbazen als de reclame-sector veruit het sloomst is.
Terwijl voor ’t bedenken van elke uiting en elke campagne toch elke keer een zelfde proces wordt gevolgd. Terwijl dat proces en het managen daarvan, en het volgen van de resultaten dankzij de voortschrijdende atomisering van media en middelen, toch echt te ingewikkeld aan ’t worden is voor face-value evaluaties. Terwijl er anderzijds door de voortschrijdende digitalisering van informatie, van media, en de effecten daarvan toch steeds meer mogelijkheden komen om reclame-inspanningen van begin (marktdata, briefing, creatie) tot eind (media-assets, plaatsing, waarneming, effecten) in één alles overziend management- en rapportage-dashboard te vangen. Terwijl binnen luttele jaren de overgrote meerderheid van alle commerciële communicatie toch ‘over IP’ zal worden gedistribueerd. Terwijl er met de dag toch steeds meer hartstikke goeie technologie beschikbaar komt.

De laatste editie van de Ad’Tech (Hamburg, mei) barstte weer van de interessante softwares. De exposanten hadden ’t heel druk: met bezoekers uit de hoek van de internetbureaus en de internetreclame-netwerken, en met elkaar.
Traditionele reclamebureaus ontbraken totaal. Ik telde één klassiek mediabureau. En met de totale ter plekke aanwezige populatie van adverteerders had ik ’n potje kunnen klaverjassen. Ontwaakt!

Dit stukje verscheen eerder als column in Adforesult, juni 2007.

Nieuwe media, ouwe kennis

Ik heb in m’n carrière de betekenis van het begrip “nieuwe media” een keer of vijf drastisch van inhoud zien veranderen. Wat me daarbij telkens weer opviel, is dat de kennis die tijdens de “vorige generatie” was opgebouwd, niet of nauwelijks werd overgedragen op de “volgende generatie” van nieuwe media. Blijkbaar zijn nieuwe media-ondernemers zodra ze zijn uitgepionierd net zo behoudend als traditionele media-ondernemers: ze houden op een gegeven moment gewoon op met innoveren.
Zo is het fenomeen community nu al een keer of wat heruitgevonden. Het exploiteren van bulletin boards in de vroege jaren ’80 had nauwelijks repercussies voor het marketen van de babbelboxen in de audiotex-hausse van de late jaren ’80. Nauwelijks ‘n sprankje wetenschap opgedaan door minitel- en videotex-bedrijven werd getransfereerd naar het web. En nu onze mobiele apparaatjes eindelijk voldoende bandbreedte beschikbaar krijgen èn worden voorzien van steeds beter bedienbare interfaces, zie je wéér dat alle interactieve wieltjes opnieuw worden uitgevonden.
Bij ’t exploiteren van mobiele applicaties en content treedt nòg een merkwaardige paradox op. Enerzijds is elk business model dat via de telefoon wordt geëxploiteerd in principe heel kansrijk omdat de transactie in het aangaan van de verbinding kan worden ingebakken (in het bijzonder via premium rate services), anderzijds zijn de toegestane maximum tarieven in Nederland idioot laag, en pakken de operators een zó schandelijk groot stuk van de omzet, dat het nog steeds heel moeilijk is om een lucratieve service in de markt te zetten.
Ik zou daarom drie dingen willen vragen aan de telecom-operators. 1) Richt samen een kennisinstituut inzake nieuwe media op, sponsor wat leerstoelen, stimuleer wat gecertificeerde opleidingen. 2) Hou op met je te conformeren aan de fatsoensrakkerij van verwarde kamerleden, en zet samen met de OPTA een winnende lobby op voor het liberaliseren van de PRS-tarieven. 3) Hou op met het bestelen van de exploitanten.
Borging en overdracht van kennis plus een daadwerkelijke liberalisering van de markt kunnen van Nederland hèt centrum maken van de volgende vijf generaties nieuwe media.

Deze posting verscheen eerder als column in Adforesult, mei 2007.

26 juni 2007

Orange rejects Rebtel's love


Hippies 2.0, love and Beetles are back in London, but orange and blue don't seem to match well together.

22 april 2007

Micro

Onlangs sprak ik een mevrouw, die, met een heel andere succesvolle carrière al achter de rug, in haar vrije tijd een etail-business heeft opgebouwd rond (louter!) lederen handschoenen. Ze ontwerpt die dingen zelf, laat ze op maat produceren bij een gezellig familiefabriekje in Italië, heeft zichzelf leren html’en, ze bemant haar eigen reclame- en pr-bureau, en haar eigen contact center. Heeft haar eerste spullen verkocht aan vrienden en familie, en heeft die vervolgens bereid gevonden om online her en der een goed woordje voor haar te doen. Ze koopt elke dag voor een luttel bedrag wat Google Adwords in, plaatst regelmatig artikeltjes op fora van lederen handschoenen-liefhebbers, weet zo nu en dan eens een styliste enthousiast te maken, of een beetje PR te genereren op een blog. Vragen van haar klanten beantwoordt ze zelf.
Ze draait inmiddels een pittige omzet, draait een lekkere winst. Elke handschoen die ze verkoopt geeft ze zelf een speciale wax-behandeling. Elk pakketje dat de deur uitgaat, controleert ze zelf. Bijna al haar klanten komen terug voor een tweede of derde bestelling. Ze kent ze bij naam.
Ze overweegt nu haar activiteiten belangrijk uit te breiden – niet via line extensions, maar door haar hier succesvol gebleken business model te repliceren in een reeks buitenlanden.
Als ze zo doorgaat, verkoopt ze over ’n paar jaar naar tientallen landen, draait ze vele miljoenen omzet, èn enkele miljoenen winst. Ze wordt een micro-international.
Ze is voor elk taalgebied op zoek naar specialisten die in staat zijn om - nèt zo constant en fijnkorrelig en persoonlijk als ze ’t tot nu toe zelf heeft gedaan in het Nederlands - haar reclame, pr en crm te verzorgen: micro-agencies.

Dit stukje werd eerder gepubliceerd in AdfoResult, april 2007.

29 maart 2007

SMO & OCM

Wat ‘n paar maanden geleden begon als een blog-artikeltje met 5 tips voor Social Media Optimization (SMO – ’t acroniem krijg je er in tech-kringen altijd gratis bij), is inmiddels uitgegroeid tot een matig hanteerbare longlist van 17 praterige punten èn een speciale SMO-blog .
Met slechts wat simpele ingrepen, valt de lijst gelukkig best te comprimeren: tot 10 generieke tips voor het aantrekken en vasthouden van bezoek aan je ‘sociale medium’:

  1. Vergroot je linkability; beloon inkomende links.
  2. Stel je users in staat bij te dragen aan de content.
  3. Maak ’t je users makkelijk om te raten, ranken, reviewen, taggen en bookmarken.
  4. Zorg dat je content ook elders, door anderen, beschikbaar kan worden gesteld: via rss, widgets en andere microformats.
    Geef je API vrij, moedig mash-ups aan.
  5. Zorg dat users je zien als een bron van informatie en toegevoegde waarde; beloon actieve, behulpzame users.
  6. Verras je users continu met nieuwe functionaliteiten.
  7. Be real.
  8. Be humble.
  9. Ontwikkel een SMO-strategie.

Deze regels zijn natuurlijk ook allemaal relevant voor een direct aanpalende discipline: online community management (en laten we dat kunstje dan maar meteen afkorten tot OCM). Voor de bedrijvers van dit mooie nieuwe vak reik ik gaarne de volgende tips aan:

  1. Trek je community op rond een beklijvende gemeenschappelijke belangstelling of, liever nog, rond een lang houdbaar gemeenschappelijk belang.
  2. Koester community-leden die veel know-how of know-who inbrengen (de zogenoemde superconnectors en mavens); bied ze extra status, functionaliteiten en faciliteiten.
  3. Wees genereus – en verlang maar ‘n beetje terug.
  4. Beschouw data security als je core competence. \
  5. Verzin een onweerstaanbaar member get member-mechanisme; beschouw viraliteit als je core business.
  6. Stel functionaliteiten beschikbaar die je gebruikers in staat stellen om zichzelf te organiseren in sub-communities.
  7. Verbind de dingen die online gebeuren met dingen die (kunnen) gebeuren in het echte leven.
  8. Beschouw de helpdesk als een van je belangrijkste product-eigenschappen (en niet als een crm-kostenpost); streef naar customer delight.
  9. Delegeer het communiceren met de leden niet naar lagere echelons; neem als management deel aan belangrijke conversaties op je platform.
  10. Zorg, als de bliksem, dat je community óók via de mobiele telefoon maximaal wordt gefaciliteerd!

Dit stukje verscheen eerder in AdfoResult, maart 2007.

08 februari 2007

Slechte voornemens

Als CEO van een Nederlands Top 1000-bedrijf, zet je nooit je 06-nummer en je email-adres op je visitekaartje. Je email laat je uitprinten door je secretaresse.
Een manager van een Nederlands bedrijf googlet nooit op “[naam van mijn bedrijf] + waardeloos”.
Als een Nederlandse ondernemer een ecommerce-site ter markt brengt, kiest hij altijd een Nederlandse merknaam (en is-ie zielsblij met de beschikbaarheid van het bijbehorende .nl-domein).
Als tot een Nederlandse marketer doordringt dat er wellicht weer een interessant nieuw medium in opkomst is, is-ie er al te laat bij om de inzet ervan positief te laten afstralen op het innovatieve imago van zijn merk.
Als een Nederlandse marketer een briefing afgeeft voor een nieuwe campagnestrategie, komt de term accountability in het hele verhaal niet voor. Zijn bureau begint er ook niet over.
Als een Nederlands bedrijf het bezoek aan z’n website wil bevorderen, is er op de hele marketing-afdeling niemand die zelf eens hands-on een paar meier opmaakt aan ’t uitproberen van Google AdWords.
Als een Nederlandse tv-zender een cross media-format produceert, gaat na de laatste tv-uitzending de website op zwart.
Als een Nederlands reclamebureau voor een radiospotje een ondernemer moet typeren, casten ze altijd een tweederangs acteur die bekakt kan praten.
Als een Nederlands mediabureau een nieuwe titel nog niet in een of ander bereiksonderzoek heeft zitten, zullen ze deze in geen enkel mediaplan aanbevelen.
Als een Nederlands reclamebureau een keer het internet in de middelenmix betrekt, stellen ze een viraal bedoeld filmpje voor omdat er geen geld was voor de inzet van tv.
Als een Nederlands web-bureau een keer iets thematisch bedenkt, gieten ze het altijd in de vorm van een interactief Flash-spelletje.
Als een Nederlands creatief team bij een thema-campagne een website moet bedenken, komen ze altijd met een domeinnaam van minstens 57 letters, met daarin eenonderwerpeengezegdeeneenmeewerkendvoorwerp.nl.

Dit stukje verscheen eerder in Adforesult, 2007, nr. 1/2.

08 januari 2007

Samen

Ik bladerde gisteren, voor ’t eerst sinds jaren, weer ’s geconcentreerd door een stapeltje recente edities van onze reclame- en marketing-vakpers. Dat viel me niet mee. Uit bijna alle verhalen en verhaaltjes, en meldinkjes van ditjes en van datjes, kringelde een onmiskenbare herfstgeur op. Van stilstand en achteruitgang, van verdeeldheid en deelbelang, van ego en eigenbelang. Van de gektes van gisteren en de waan van vandaag. Niet alleen aan de kant van de bureaus, óók aan de kant van de opdrachtgevers.
Die vakpers van ons is natuurlijk alleen maar een afspiegeling van wat er in de sector aan de hand is. Toen we een paar jaar geleden uit het schuim en de asch van een vorige club een nieuwe DDMA tevoorschijn toverden, telden we na wat slordige desk research al zo’n 25 clubs en verenigingen die hier te lande iets met marketing en communicatie van doen hebben. Onze prille pogingen om met sommige van die clubjes tot een of andere vorm van samenwerking te komen, werden òf vriendelijk afgewimpeld, òf bruut afgepoeierd. En ik kan me van de afgelopen jaren ook al geen enkele andere succesvolle, substantiële krachtenbundeling herinneren.
Zodat onze sector, die, van afstand bekeken, toch goed is voor talloze miljarden aan toegevoegde waarde, en een stimulerend effect zou moeten hebben op onze economie, en de vernieuwing daarvan, in de praktijk en perceptie van alledag een non-entiteit is.
Soms met succes vechtend tégen dingen die ons onwelgevallig zijn, maar zelden of nooit vóór iets. Soms succesvol een belangetje lobbyend in Den Haag of verdedigend tegen een andere brancheclub, maar haast nooit ’s iets vernieuwend of innoverend.
De speelbal van jonge, ambitieuze kamerleden. Nummertje 24, zonder stip, op de lijst van meest innovatieve sectoren. Gedoemd te verdwijnen als de focus niet drastisch verlegd wordt naar integratie, generalisme en accountability.
Zouden we, nu onze belangetjes blijkbaar nog zozeer uiteenlopen, nou niet op z’n minst ‘s een nieuwe poging moeten doen om onze kennis te bundelen?

Dit stukje verscheen onlangs in Adforesult.

05 november 2006

Targeting

In mijn ideale reclametoekomst verzenden en ontvangen we alleen nog gewenste reclamesignalen. Dat impliceert ondermeer dat tegen die tijd:

  • alle media-communicatie digitaal is;
  • we allemaal beschikken over een digitaal ID;
  • dit ID verrrijkt is met strikt persoonlijke filtering-functionaliteiten.

Voorspellers raken nu nog opgewonden van het perspectief dat er in 2008 meer zal worden besteed aan internetreclame dan aan buitenreclame, en dat ‘zelfs’ radioreclame zo rond 2010 door internetreclame zal worden ‘ingehaald’ (in de UK en Zweden vloeit trouwens dit jaar al meer dan 10% van de budgetten toe naar webmedia).[1]
Verdere digitalisering van tv, radio, print, outdoor, POS èn dm as we know them zal echter een veel grotere impact op reclame hebben dan alles wat we nu nog simpeltjes verstaan onder ‘internet-reclame’.
De eindgebruiker heeft tegen die tijd met zijn personal filter alle macht aan zich getrokken, maar zal behoefte blijven houden aan een verderreikende intelligente selectie en verpakking van informatie. Van die behoefte zie je nu bijvoorbeeld al vroege symptomen in de wondere wereld van RSS, waar de in ’t begin nog limietloze feed-aggregaten steeds knapper, steeds beter gefilterd op contextuele voorkeuren en actueel gedrag, worden aangeboden als persoonlijke service- en informatie-portals.[2]
Ik raad reclamemakers die zich klaarmaken voor de toekomst dan ook van harte aan om hun grootste uitdaging van dit moment niet alleen te zoeken in het steeds verstandiger integreren van internetdingetjes. De echte marketing wars of the future zullen woeden in àlle media, èn op straat, èn op de winkelvloer. En de winnaars van die oorlogen zullen zich allang, minstens sinds 2006, hebben bekwaamd in de ins en outs van behavioral targeting.

[1] Zie Zenithoptimedia.com.
[2] Zie bijvoorbeeld Netvibes.com en Infocaster.nl.

Dit stukje verscheen eerder in de Adforesult van november 2006.

02 oktober 2006

Waste

Ik ben nu 53. Sinds mijn eerste schoolbaantje (1964, tomaten afwegen bij De Gruyter à hfl 1,25 per uur) ben ik elk jaar wat meer gaan verdienen. En nòg iets meer gaan opmaken. Ik heb ook nog wat exits gehad, maar die kan ik zo’n beetje wegstrepen tegen m’n sofs. Per saldo, zal ik tot op heden in elk geval toch, gecorrigeerd voor inflatie, privé een miljoen of vijf hebben verdonderd aan leven. En een veelvoud daarvan aan ’t zakendoen daaromheen.
Als ik de uitspraak dat de helft van het geld dat wordt gespendeerd aan reclame weggegooid geld is, op mezelf betrek, zou ik de helft van al m’n aankoopbeslissingen hebben genomen op basis van reclame-signalen. Of, volgens een recente publicatie, waar ik geen barst van geloof, toch zeker een slordige 37.3 procent[1].
Maar hoe kan ’t dan toch dat ik van de Bijenkorf of van Albert Heijn, die via hun cards al decennia lang de aankopen van mij, later ook van m’n vriendin en van m’n hele gezin kunnen tracken, nog nooit één aanbieding heb gezien die toegesneden was op mijn situatie (yup, dinky, gezin met baby’s, gezin met schoolgaande kinderen)?
En hoe kan ’t dan toch dat in m’n hele zakenbestaan nog geen enkele lease-maatschappij ooit een gekunde poging heeft gedaan me los te weken bij het lease-bedrijf dat ik nu al ruim 25 jaar m’n vertrouwen geef?
Ik vrees dat ’t komt omdat marketers en reclamemakers liever lui dan moe zijn. Liever creatief dan effectief. Liever oorlog voeren met bombarderen dan met scherpschieten.
Daarom stel ik dat, zolang in de praktijk de inhoud van reclame-uitingen - helaas, helaas juist ook via direct marketing en internet-media - het belangrijkste segmentatie-instrument is, van elke reclame-euro een nog veel groter deel wordt weggegooid dan ook maar iemand durft te bevroeden.

[1] Zie ook Adage, en daarover: Adformatie.

Dit stukje verscheen eerder in Adforesult, zomer 2006.

03 september 2006

Neo-reclame

We leven in het post-reclame-tijdperk. De nieuwe realiteit van nieuwe media en nieuw mediagedrag is al niet meer succesvol te verenigen met traditionele reclame-tactieken en -technieken. Toch dagdromen uitgevers, broadcasters, marketers en hun bureaus dit jaar vooral over de inzet van social media in hun reclame-strategieën.

Geen wonder, op zich. De populairste (veelal: ‘jongeren’-)communities hebben ledenaantallen die gelijk zijn aan of in de buurt komen van de bevolkingsaantallen van grote en middelgrote landen. De omvang van de meest succesvolle zakelijke (‘professionals-’)communities komt al in de buurt van de populatie van wereldsteden (en deze netwerken zullen ook nog aanmerkelijk groeien als al die jongeren straks op de arbeidsmarkt komen). Die aantallen kietelen natuurlijk onze traditionele GRP-reflexen.

Via het zakelijke netwerk OpenBC onderhoud ik een directe relatie met het krankzinnige aantal van zowat 5.000 andere leden van die club. En via die paar duizend directe relaties kan ik vervolgens het obscene aantal van nog eens circa 600.000 ondernemers en professionals bereiken.
Al die dames en heren hebben zichzelf tot in de kleinste details geprofileerd: met wat ze doen en met wat ze deden, met welke functie ze bekleedden of bekleden, met wat ze interesseert, met wat ze aanbieden en wat ze wensen.
Je zou dus zeggen dat ik alleen maar even ’n paar briljante B2B business-conceptjes uit de mouw hoef te schudden, en een paar aardige dm-brieven hoef uit te schrijven om “zes keer” helemaal binnen te lopen.

Alleen… zó werkt ’t niet in social networks. Niet in OpenBC of Linkedin. Niet bij MySpace of Hyves. Niet in Youtube of Revver. En niet bij Digg of Delicious.
In social networks maak je geen reclame. Je stopt er tijd in, en moeite. Je bent er gul met je know-how, en met je know-who. Of je draagt er actief bij aan (de kwaliteit van) de content. Je communiceert er niet one-to-many, maar one-to-one of one-to-few.
In ruil daarvoor krijg je – als je ’t goed doet, natuurlijk, waardering, bouw je aan je reputatie en je geloofwaardigheid. En hoe meer mensen er gunstig over je denken, hoe meer kans je hebt dat ze je iets (terug)geven. Aandacht, vriendschap, word-of-mouth, een lead, een opdracht, een aankoop.
Neo-reclamemakers die willen scoren in een social network worden er eerst zelf actief lid van, doorgronden zo wat de community beweegt, en bedenken dàn pas òf en, zo ja, wàt ze er in hun marketing mee kunnen. Elke andere benadering van het fenomeen social media is gedoemd meer schade dan goeds op te leveren.

(Dit stukje verscheen eerder in Adforesult, augustus 2006).

30 juli 2006

Simpel

Creativiteit wordt in de reclame veel te serieus genomen. Hoewel we allemaal weten dat 99% van ons werk bestaat uit het intelligent variëren op maximaal 4 kleuren, 12 layout-grids, 8 manieren om een commercial-verhaaltje te vertellen, en 10 manieren om een goeie dm-actie in elkaar te steken, staan we elkaar almaar toe een enorme drukte te maken over de invulling en uitvoering daarvan.
Wat zou er met de gemiddelde reclame-effectiviteit in Nederland gebeuren als we elkaar eens branche-breed een jaartje louter toestonden om te variëren op de concepts van de 10 allereffectiefste Effie-cases van de afgelopen 10 jaar? Ons alleen maar zouden concentreren op 't tot op het bot tweaken van de daarin toegepaste dialoog- en (inter-/trans-)actie-mechanieken?
Onze creatives zouden gillend 't vak uitrennen, hoor ik u zeggen? Laat ze gaan! Onze marketing-chefs zouden zich moeten laten om- en bijscholen, hoor ik u zuchten? Stuur ze terug naar school! Onze afnemers zouden zich van verveling nòg drastischer van reclame afwenden dan nu al 't geval is, hoor ik u kreunen? U vergist zich deerlijk!
In elke andere niche van de informatie-sector vinden wij (de professionals) en zij (de consumenten) 't doodnormaal, en prima te verhapstukken, dat alles er elke dag hetzelfde, of zowat hetzelfde, uitziet. Ooit een krant gezien die elke dag van format verandert? Ooit een succesvol tv-programma gezien dat elke aflevering een ander stramien volgt? Ooit een tijdschrift gezien dat elke editie een totaal ander ritme heeft?
Als iets góéd is, willen we er elke dag méér van. Vooral ook: online! Aan de homepage van Google is sinds de eerste dag dat-ie online kwam niets essentieels veranderd. Het Zwitserse Blacksocks.com verkoopt sinds z'n oprichting uitsluitend, u raadt het misschien al, zwarte sokken, en heeft daarmee lokaal 20% van de zwarte sokken-markt (wereldwijd ca. € 250 miljoen) veroverd. Het Zweedse Mobillån verstrekt via je mobieltje binnen viereneenhalve minuut louter instant kredietjes van 100, 200 of 300 euro, en zet binnen luttele maanden na introductie al enkele honderden miljoenen om.
En het ook al Zweedse Caliber Media heeft de afgelopen 3 jaar niks anders gedaan dan het steeds verder perfectioneren van z'n prijsvraag-mechaniekje: een in principe bloedsimpel online quiz-format, dat in opdracht van adverteerders in die tijd al een keer of 100 op almaar dezelfde doelgroep (boodschapsters) is losgelaten. Het aantal deelneemsters groeit nog steeds, met tienduizenden per maand. Het Bureau van de Toekomst?

(Dit stukje verscheen eerder in Adforesult, augustus 2006).

10 juli 2006

Another podcast interview on Web 2.0


This one in Deunglish, done by Daniela Waschow on OpenBC's corporate blog.

Over business networking

Podcast-interview door Maaike Schutten, voor Dutch Cowboys.

Hyves & OpenBC in Talks


Hyves' Raymond Spanjar & ik, geïnterviewd door Ronnie Overgoor, op Pitchtalk TV.

09 juli 2006

360 degrees planning

In de eeuwige pendelbeweging tussen integrale en gespecialiseerde marketing-communicatie lijkt integratie weer ’s aan de winnende hand. Alleen: om te kunnen integreren moet je kunnen putten uit generalistische kennis en gedegen onderzoek. Terwijl ons onderwijssysteem geen generalisten meer opleidt, en fatsoenlijk onderzoek naar nieuwe media (en de impact daarvan op traditionele media en kanalen!) nog nauwelijks beschikbaar is.
Om ’t er allemaal nòg ingewikkelder op te maken, faciliteren de nieuwste media almaar weer nieuwe, innovatieve strategieën en toepassingen, die niet, of nog niet, of slechts met de grootste moeite in hanteerbare modellen zijn te vatten.
Ik schat dat adverteerders die nieuwste media in meer dan 90% van de gevallen inzetten op basis van eigen of ingekochte intuïties en van andere toevalligheden.

Onderzoek in deze sector is nog primitief, en, voorzover voorhanden (STIR), grotendeels gebaseerd op de in dezen éígenlijk onjuiste premisses van traditioneel bereiksonderzoek. De onderbouwing van nieuwe media-planning is veelal zó arbeidsintensief, en dus - op veelal nog betrekkelijk geringe plaatsingsbedragen losgelaten - zó duur, dat de traditionele mediabureaus niet meer wegkomen met hun simpele percentage-over-de-omzet-model: ze proberen allerhande nieuwe prijs- en boete-modellen uit, die vaak leiden tot prohibitief hoge plannings- en orderkosten.

Dat schiet allemaal niet op.

Het hierboven genoemde "traditionele bereiksonderzoek" heeft per traditie vrede met "ouderwetse segmentatie". Dit regardeert trouwens niet alleen massamedia, maar ook veel direct marketing, voor zover we het nog steeds goed vinden dat de boodschap uiteindelijk de echte en potentiële kopers-doelgroep segmenteert. Dit impliceert dat we, in een communicatiewereld die steeds meer neigt naar louter gewenste communicatie, nog steeds genoegen nemen met een enorme waste.
Dit probleem kan alleen getackeld worden door samenwerking. Tussen media, adverteerders en bureaus. Ik pleit voor a) een nieuwe gedragscode waarin de respectievelijke branche-organisaties zich eindelijk ‘ns serieus voornemen om waste voortaan tot ’t uiterste te reduceren, en b) voor de oprichting van een door de hele sector gedragen onderzoeksinstituut.
Met z’n allen een soort Kobalt voor Nieuwe Media oprichten mag óók – dan hebben we in 1 keer óók de prijstransparantie van het Nieuwe Plannen geregeld.

Dit stukje verscheen eerder in Adforesult, juni 2006.

Gokje 2.0


De casino-business in Nederland is helemaal mainstream geworden. Nog twee of drie vestiginkjes erbij, en niemand hoeft meer dan 30 minuten te rijden om een spelletje roulette te spelen. In de weekends vullen we de laatste gaatjes dankzij joint promotions met Stage Holding en Van der Valk Hotels. De dipjes van de stilste avonden vullen we met doelgroep-programmaatjes, en tijdens de stilste uurtjes van de dag motiveren we the most compulsive players om wat eerder aan de fruitkasten te verschijnen. We bekommeren ons om het verbeteren van de entourage en de programmering van onze venues. "Op zaterdag 22 april vindt om 21.30 uur in Holland Casino Utrecht een Lock and Key Party plaats. Bij deze nieuwste rage worden de vrouwen uitgerust met een klein hangslot en de heren met een sleutel." En: "Woensdag Ladies Night met Gerard Joling in Holland Casino Amsterdam." En: "Het past in onze visie dat alle instore-communicatie uiteindelijk digitaal wordt."
Als monopolist, hoeft Holland Casino zich nauwelijks zorgen te maken over concurrentie (van illegale casino’s, van semilegale speelhallen met elektrronische varianten van ouwe casinospelletjes, of van casino’s net over de grens), want het (openbaar) ministerie zorgt voor een stevige rugdekking.
Zodra de Europese rechter ons dwingt om hier te lande concurrentie toe te laten, rekenen we erop dat hier ongeveer hetzelfde gebeurt als aan de andere kant van de Noordzee. In het Verenigd Koninkrijk, de proeftuin van de Europese gok-industrie, is de markt al vele jaren in hoge mate geliberaliseerd. Het belangrijkste effect van het toelaten van nieuwe marktpartijen is daar dat de Engelsen nu niet één, maar een páár procent van hun BNP over het groene laken en in de portefeuilles van hun bookmakers strooien.
Wàt zegt u? Zijn er inmiddels online duizenden casino’s en bookmakers actief? Slagen de beste online casino’s er in om rond hun services steeds hechtere communities te faciliteren? Is ’t echt waar dat vrouwen online inmiddels in de meerderheid zijn op casino-websites? Is side-betting (het live gokken op de gokprestaties van andere spelers) echt het snelst groeiende online gok-segment? Waren zowat alle goeie pokerspelers van de wereld vandaag weer ’n paar uur online, zoeken ze elkaar nu steeds vaker ook live op in tournooien, en is ’t echt waar dat de hoofdprijs van de laatste Poker World Series 7.5 miljoen dollar is? Zijn de Engelse bookmakers nòg aan ’t bijkomen van de schok ("dis-intermediatie, dat zal òns toch niet gebeuren?!") die de peer-to-peer wedders van Betfair teweeg hebben gebracht? Is Yahoo al actief in sportsbetting, en staan de andere search-jongens al te trappelen om wat activiteiten te ontplooien in de casinomarkt?
Maak u geen zorgen, dames en heren, wij blijven met beide benen op de grond!

Dit stukje verscheen eerder in Adforesult, mei 2006.

Buzz 2.0

AI
AJAX
API
Attention
Augmented
Blog
Bubble 2.0
Buy
Cast
Citizen media
Cloud
Cluster
Collaborate
Collect
Collective intelligence
Comment
Connect
Contribute
Create
Discuss
Donate
Edit
Exchange
Feed
Find
Flickr
Folksonomy
Geo
Granular
Grid computing
Identity
Interestingness
Life-hacking
List
Long tail
Manage
Map
Mash-up
Massclusivity
Meet
Microformats
Mix
Ontology
Peer production
Personalize
Pervasive
Phlog
Podcast
Publish
Push
Rank
Rate
Recommend
REST
Review
RIA
RSS
Search
Sell
Share
SOAP
Social
Store
Structured
Tag
Taxonomy
Torrent
Track
Trackback
Trade
Unbundled
Vlog
Vodcast
Vote
Web-based
Wiki
Yahoo

Attention!

Er is een toekomst waarin we haast alleen nog signalen op ons af krijgen als we daar tevoren ooit toestemming voor hebben gegeven.
Signalen die ons wijzen op de beschikbaarheid van dingen die eerst niet voorradig waren. Die ons attent maken op de scherpste aanbieding in een categorie. Die ons helpen kiezen binnen segmenten met teveel van hetzelfde. Die ons precies bieden waar we om gevraagd hebben, op het moment dat ’t ons het beste schikt.
In deze toekomst van ultieme op wilsbeschikking gebaseerde on demand-communicatie managen we alle – commerciële en niet-commerciële - informatie op basis van een afweging tussen enerzijds het plezier of het nut dat we eraan verwachten te beleven, en anderzijds de tijd die we eraan beschikbaar willen stellen.
Het kalibreren van die wilsbeschikking zullen we voor het grootste deel overlaten aan technologie. En die technologie zal in hoge mate gebaseerd zijn op de signalen die gelijkgestemden en gelijkgeïnteresseerden op zich af laten komen.
Iedereen zal bijdragen aan het almaar verfijnen van die kalibratie: in elk geval passief, door in te stemmen met het feit dat informatie-consumptie getrackt wordt; en soms ook actief, door de waarde van geconsumeerde informatie te kwalificeren.
Dit delen van informatie-voorkeuren (collaboration, sharing) en dit aggregeren van data over informatie-gedrag (collective intelligence) zijn de belangrijkste fenomenen binnen het wereldwijde experiment dat wordt gelabeld onder de noemer Web 2.0.
Als marketer kunt u twee dingen doen. Wachten tot ’t zich uitkristalliseert, en ’t zich in uw bedrijvigheden aandient als een bedreiging. Of ’t nu analyseren, en evalueren welke kansen ’t u biedt.
Op het moment dat ik dit schrijf is de lawine aan nieuwe Web 2.0-experimenten nog net bij te houden (zie bobstumpel.typepad.com/everything_20/). Op ’t moment dat u dit leest, moet u daarvoor waarschijnlijk al iemand aanstellen of inhuren.
Een troost nog voor onze branche-organisaties: al dat gezever en gezeur met reclame-wetgeving en -codes zal in de toekomst waarschijnlijk worden vervangen door één licentie op (zoiets als) Attention Trust.

(Dit stuk verscheen in Adforesult, lente 2006).